Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland
Cellen Nederlands Hervormde kerk Abcoude
‘De kerk ís het dorp’, vond de schrijver van een reisboek door Overijssel in de jaren 1840. En daarmee bedoelde hij de plaatselijke Hervormde dorpskerk. Maar tevens gaf dit perfect de positie weer van de Hervormde (aanvankelijk Gereformeerde) kerk in het Nederland van de laatste driehonderd jaar.
De protestantse kerk was het centrum van het politiek, sociaal en, we zouden het bijna vergeten, godsdienstig leven in ieder dorp. Het belang wordt al duidelijk door één simpel feit: iedereen, maar dan ook iedereen werd in deze kerk begraven (behalve de zg. ‘Israelieten’): Dopers, Arminiaan, Katholiek, het deed er niet toe welke richting je aanhing, de dorpskerk was waar je eindigde. Al was de Hervormde religie in Nederland geen staatsgodsdienst, de facto was het de enige begunstigde van de overheid.
De indeling van de maatschappij was in zulke kerken (ook in de protestantse stadskerken) eminent zichtbaar. In veel dorpen had men de adelsbanken, dan wel herenbanken, en de banken van de kerkelijke overheid (notabelen, diaconie, predikantsvrouwen), en betaalden de gegoede boeren en notabelen grof geld voor een speciale plaats in de overige banken. In de kerken van de stadjes en steden was de maatschappij ingewikkelder, en daarom vinden we daar dan ook de hele microkosmos vertegenwoordigd op de naamplaatjes aan de banken: magistraten, officieren, studenten, professoren, gevangenen(!), krijgsraad, (stads)regering, terwijl de rest van adel, patriciaat en hogere burgerij ook hier banken in eigendom of huur had.
Er waren andere, en zelfs veel meer gebruikte manieren om de zittende macht te representeren. De kerk fungeerde daarbij als één grote propagandamachine. Elke grafzerk gaf natuurlijk al aan of degene die eronder lag van enig belang was, en in het geval van een duur monument werd dat al snel duidelijk. Rouwborden verraden nog meer de belangrijke posities, terwijl in de zeventiende- en achttiende eeuw zeer veel protestantse kerken rondom beglaasd waren met beschilderde ramen waarop de wapens van de schenkers: een hoge burger, het hoogheemraadschap, de provincie, de stadhouder, of de omringende steden met elk een raam. En dan was er nog het zilver of tin dat met schenkersinscripties verlucht werd, vaak uit ijdelheid, maar ook hier weer tevens om de verhoudingen duidelijk te maken.
Het kerkinterieur werd niet enkel voor persoonlijke of institutionele ijdelheid gebruikt, maar ook als geheugen van de gemeenschap. Een schilderij memoreerde een merkwaardige gebeurtenis (bijvoorbeeld in de Bullekerk in Zaandam), een bord de broodprijzen door de jaren heen, of een glasraam de geschiedenis van het dorp, zoals bijvoorbeeld in Broek in Waterland. Ook werd de kerk vaak, al in de middeleeuwen, als wandelplek gebruikt en als openbare concertzaal, of bij speciale wereldlijke gelegenheden.
Voor wat betreft de publieke voorzieningen had de kerk het monopolie of minstens vormde deze een belangrijk onderdeel van het geheel. Niet alleen bijvoorbeeld lijkbaren werden in de kerk bewaard. Buiten de kerk vindt men in de negentiende eeuw vaak een grote regenwaterbak die bluswater moest fourneren ingeval van brand in het dorp, en bij grote droogte als extra waterbak voor het vee diende. De brandspuit van het dorp stond in of naast de kerk. Ook waren er vaak lederen emmers in de kerk ter brandblussing. In Haastrecht (eind achttiende eeuw), Charlois (negentiende eeuw) en Breukelen (1869) had men zelfs speciale fraai gebouwde huisjes voor de brandspuit.
Het ging in deze gevallen vaak niet alleen om een ramp bij de kerk, maar de voorzieningen waren ook bedoeld voor de rest van het dorp. Op dit gebied deelde de kerk vaak haar verantwoordelijkheden met de burgerlijke gemeente. De toren ging in de loop der tijd doorgaans over in eigendom van de gemeente, het dorp dus, en die zorgde voor het functioneren van het torenuurwerk, een voorziening die in een plattelandsgemeente van groot belang was, evenals de weerhaan die we nu vaak alleen nog met een glimlach waarnemen.
Maar het merkwaardigst van alles is misschien wel het verschijnsel van gevangeniscellen in de toren of direct in de kerk. In de Grote Kerk van Schermerhorn heeft men de zogenaamde hangkamer uit circa 1640 met het opschrift ‘Ick sorg voort gemeen / voor Kerck en Christi / leen’. Op zeker moment heeft men hieruit de bedeling aan de armen verzorgd, maar evenzo was het een gevangenis, voorzien van ‘een getralied venstertje aan den voorkant … [en] te bereiken door middel van een laddertje’. Het was niet alleen kleingrut dat hierin terecht kwam: menigeen wachtte hier tot de in het district rondreizende beul uit Alkmaar langs kwam en de misdadiger onthalsd kon worden. Het zg. regthuys bevindt zich dan ook naast de kerk.
Nog duidelijker zijn de beide (eind-negentiende eeuwse?) cellen onder de toren van de Grote Kerk in Abcoude. Ze lijken in alles op normale politiecellen: fors, ondoordringbaar, koud en gewichtig. Als iets ook de wereldlijke functie van de protestantse kerk weergeeft, dan is dit wel het voorbeeld.