Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Religieus erfgoed
Object van de Maand  |  november 2007

Kandelaars in kerken: een Maaslands prototype

Kandelaars en kaarsenstandaards worden in soorten en maten aangetroffen in kerken en kloosters, van heel oude exemplaren tot recent aangeschafte stukken. Opvallend is dat in de loop der eeuwen bepaalde typen kandelaars erg populair worden en talloze malen zijn nagegoten. Dit geldt bijvoorbeeld voor het bekende laatgotisch type altaarkandelaar dat in de periode van de neogotiek ook nog eens ontelbare malen is gekopieerd.

Ook voor latere typen kan dit het geval zijn, in een kerk te Eibergen werden recentelijk twee gegoten koperen altaarkandelaars aangetroffen van het meest voorkomende baroktype (zie afb. 1.) Deze kandelaars staan op een driezijdige schuin toelopende voet. De voet rust op drie klauwpootjes die bollen omvatten. De zijkanten zijn versierd met bladwerk en een cherubijnenkopje (bij dit type kandelaar vaak moeilijk nog herkenbaar als cherubijn en verworden tot een soort ‘krullenkopje’). De stam bestaat uit een balustervorm met daarboven een getordeerde schacht, aan de onderzijde versierd met opstaand bladwerk. De vetvanger heeft de vorm van een wijde platte beker op een voet. De kaars rust op een pin.

De kandelaars in Eibergen dateren vermoedelijk uit de eerste helft van de achttiende eeuw. Het type vindt zijn oorsprong hoogstwaarschijnlijk al ergens in het midden van de zeventiende eeuw in het Zuidelijk Maasdal, de bakermat van de geelgieterskunst in de Nederlanden. Het model moet al snel door andere regio’s zijn gekopieerd. Het type is in groten getale en in allerlei maten bewaard gebleven.
Dat dit prototype al in de zeventiende eeuw in gebruik kwam als altaarkandelaar kan worden geïllustreerd door een paar kandelaars, dat wordt bewaard in de St. Luciakerk te Begijnendijk bij Aarschot in Vlaams-Brabant (zie afb. 2.). Volgens hun opschrift dateren zij uit 1660 en hoorden oorspronkelijk toe aan het schoenmakersambacht te Tienen.
Exemplaren uit de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw zijn in veel kerken te vinden zoals in IJsselstein, Weert en Simpelveld (zie afb. 3, 4, 5). Het zijn maar enkele voorbeelden. De wat jongere exemplaren zijn meestal herkenbaar aan een minder platte en meer komvormige vetvanger. Het type is voornamelijk vervaardigd in de tweede helft van de zeventiende eeuw en de eerste helft van de achttiende eeuw (met wel een uitloop na 1750). Dan is het ook afgelopen met de grote bloei van de artistieke koperbewerking in de Zuidelijke Nederlanden.

Dat het type kandelaar zelfs vandaag de dag nog aanspreekt mag blijken uit de kandelaars die staan afgebeeld in de verkoopcatalogus 2007 van de fa. Slabbinck (zie afb. 6). Ook deze kandelaars gaan terug op het hier besproken baroktype, zij het dan wel in een vrije interpretatie.

Bronnen: F. van Molle, 'Zeldzame werken van Leuvense geelgieters en koperslagers uit de achttiende eeuw', in: "Antiek", jrg. 3, nr. 3. (1968-69), p. 136-145; J.J.M. Timmers, “De Kunst van het Maasland II”, Assen 1980, p. 317, 318.

terug