Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Religieus erfgoed
Object van de Maand  |  juli 2007

De Calvarieberg en Tuin van Jerusalem in Antwerpen

In de zomer gaan de Nederlanders nogal veel op vakantie, vooral naar Frankrijk. Hopelijk blijven ze dan ook eens hangen in Antwerpen, wat ze gewoonlijk enkel doen voor bruiloften en partijen.

Naast de Pauluskerk (en open van circa Pasen tot en met september) ligt een unicum: een grasveldje is diagonaal gedeeld door een pad geflankeerd met beelden van heiligen en profeten, en aan het eind daarvan rijst een merkwaardig geprofileerde berg op, doorstoken van allerhande grotopeningen, bezet met beelden, en culminerend in een topje dat zich zelfs tegen de steunberen van de forse Pauluskerk aanvlijt. Her en der zijn langs het grasveld nog beeldengroepen te zien in de zich hier nog even doorzettende architecturale context van muurtjes, nissen en grotten.
Dit is het toppunt van volkse devotie, en is ook met die opzet daar ontstaan – als brandpunt van vroeg achttiende-eeuwse aandacht. Deze Calvarie heeft in de afgelopen eeuwen altijd aan zware kritiek blootgestaan aangezien ze (terecht) werd gezien als een vorm van volksdevotie, en wat volks is, is fout. Zeker, de Antwerpse Calvarie is een burleske, net als negentiende-eeuwse concurrenten in bizarrerie, de Antoniusgrot in Crupet (Namen) en die vreemde wondertuin het Arnolduspark in Tiegem (West-Vlaanderen). Baudelaire vermorzelde de esthetische mug die de Calvarie is, onder zijn gewicht als kunstcriticus: ‘ici la sculpture dramatique arrive au comique sauvage, au comique involontaire…’ Maar ook in de eigen tijd werd het ensemble geridiculiseerd, in 1775 werd de Calvarieberg betiteld als ‘exactement mauvais’.
Toch werkten niet de minsten aan de Calvariebeelden: Baurscheit senior, vader en zoon Kerricx, J.C. De Cock en Alexander Van Papenhoven, allen min of meer goede representanten van de laatbarokke beeldtraditie. En de opdrachtgever? Het laat-achttiende eeuwse manuscript Oud Konst-toneel van Antwerpen van Jacobus van der Sanden zegt het al, in rijmen die in hun naïeve opsmuk zo veel doen denken aan de Calvarie zelf:

Pater Dominicus, die tweemael ging begroeten
Het Land, door Christus zelf bewandeld met syn voeten;
Heeft dit groot konstig werk tot Christi Eer gesteld;
By den Calvari-berg syn Lyden is verbeld.

Het gaat om Dominicus Hyacinthus van Ketwigh (1663-1747), Predikheer (dominicaan) en Prefect van de Aartsbroederschap der Allerheiligsten Rozenkrans. Zijn broer Johannes Baptista (Cornelius) van Ketwigh (1656-1746) was eveneens dominicaan en van beiden werd in hun tijd gezegd dat ze de hele Mariaverering en de devotie rond het Rozenkransgebed monopoliseerden. Een derde broer, met de kloosternaam Raymundus (Jacobus) van Ketwigh (1655-1723), treedt in geschrifte wat minder naar voren, maar schijnt al even enthousiast te zijn geweest. Samen werden ze wel ‘de firma Van Ketwigh’ genoemd. Wanneer de onderbouw van de Calvarieberg in 1707 gereed is, verklaart broeder Dominicus zelfs dat ieder weesgegroet goed is voor zestigduizend dagen aflaat, waarop de bisschop dan wel eens de pauselijke bul wil zien waar dat geschreven zou staan!
In 1710 komt het tot scherp handgemeen op het veldje van de Calvarieberg: daar stoten twee processies op elkaar, die van de Rozenkransbroederschap en een andere broederschap. Men gaat elkaar met de vaandels te lijf, er vallen klappen, er vallen gewonden.
Uit zulke bezieling, uit zulk fanatisme groeit dan daar op het oudkerkhof aan de Sint Pauluskerk te Antwerpen een van de merkwaardigste achttiende-eeuwse Europese bouwsels. Waarschijnlijk is men met het plannen begonnen tussen 1697 (toen Dominicus van Ketwigh terugkwam van zijn bedevaart naar Jeruzalem) en 1699, wanneer een prentje wordt gemaakt waarop al het Heilig Graf als onderdeel van de Calvarieberg afgebeeld is, alhoewel dit pas een ontwerp is. In 1706 is men in ieder geval al druk aan het uitvoerende werk bezig en, zoals gezegd, in oktober 1707 wordt het H. Graf opgeleverd en ingewijd. Wanneer de bouw van de Calvarie en de etalering der beelden een einde neemt is niet precies te zeggen. In 1734 lijkt men een belangrijk stadium bereikt te hebben. Maar ook nog in de jaren 1740 worden beelden bijgeplaatst.
In totaal zijn het een zestigtal beelden die op, in, om en rond de Calvarieberg komen te staan en samen beelden ze een geestelijk Jeruzalem uit: een memento tegelijk aan het bezoek van de Van Ketwighs aan die stad en een verzamelpunt voor de Jeruzalemridders, de broederschap van hen die ooit Jeruzalem hadden bezocht.
Hoofdthema’s in de tuin zijn de Engelenweg, het ‘vals plat’ middenpad dat zich verbreedt en leidt naar de berg zelf. Dit is een in ieder opzicht doordacht theaterstuk: het oog kan zich voorlopig enkel naar die opeenstapeling van stenen wenden, het belangrijkste punt in de tuin. Links ligt de Profetentuin, rechts de Evangelistentuin. Maar daartussen weven zich nog allerhande ensceneringen: de kruiswegstaties, Christus en Magdalena, de heilige Helena, dominicaanse heiligen en Jeruzalemridders, en een kukelende haan.
Verrassend in dit complex blijven, links in de grotten van het Heilig Graf, de reliëfs van de figuren van de zondaars in het vagevuur. In tegenstelling tot alle andere beeldwerken zijn deze in hout uitgevoerd. In het Heilig Graf valt ook het gebruik van oude bouwfragmenten op, wellicht om, dat zien we vaker in grotwerken, het geheel er nog ruwer en onbehouwener uit te laten zien. Magdalena komt overigens diverse malen voor, ze troont zelfs in geestelijke verrukking boven het hoogtepunt der Calvarie uit, boven de gekruisigde Christus: helemaal in het topje van de sintelberg leunt ze met haar rug, ondersteund door een engeltje, bijna tegen een traptoren van de kerk. Dit geeft een typisch Van Ketwigh-effect: Magdalena is immers een symbool voor de biecht, en daarmee past ze volledig in een dominicaans programma, ofschoon tegenwoordig ook wel grotere aantallen straatmadelieven zich in de buurt van de Pauluskerk ophouden, wat een en ander nog aardiger en meer symbolisch maakt.
Is er een invloed geweest vanuit deze in de Nederlanden zo bekende Calvarie? Vooral in Noord-Brabant werd de wat uitgebreidere Calvarie op een kerkhof in de negentiende eeuw zeer populair en die van Veghel en Gemert lijken zeer zeker geïnspireerd op de Antwerpse Calvarie, vooral wanneer men de daar afgebeelde vagevuren in acht neemt. In de negentiende eeuw genoten Brabantse beeldhouwers gewoonlijk hun opleiding in Antwerpse ateliers en daar zullen ze ongetwijfeld, zeker voor de neobarokke kunstenaars onder hen, naar de Calvarieberg aan de Sint Pauluskerk hebben gekeken.
Toch blijft de Antwerpse Calvarie uniek. Interessant zijn wel de resten van een kleinere Calvarie in het Oost-Vlaamse Vurste, sintelstenen die tegen de wand van een kapel op het kerkhof te vinden zijn, echter ontdaan van enige verdere versieringen, behalve dan een kruisgroep van later datum. Hier zou vroeger, tot het in 1897 werd gesloopt, ook een uitspanning hebben gestaan met de veelzeggende naam In De Rotse: een overblijfsel van een Calvarieberg op Antwerpse wijze?

Literatuur:
A.M. Bogaerts, Rondom de Calvarieberg van de Sint Pauluskerk te Antwerpen, Antwerpen 1984.
Joz. De Coo, De Kalvarieberg van de St. Pauluskerk te Antwerpen: laat-barok plastiek, Antwerpen en Utrecht 1943.
Wim Meulenkamp en Paulina de Nijs, Buiten de kerk: processieparken, Lourdesgrotten en Calvariebergen in Nederland en België, s.l. 1998, 165-169.

terug