Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland Religieus erfgoed
Object van de Maand  |  november 2006

'HIER LEYT BEGRAVEN' te Middenbeemster

In de kerk van Middenbeemster ligt tussen vele andere zerken een gehavend exemplaar. Ondanks de (herstelde) breuken, de slijtage van het onderste deel en het wegkappen van het wapen is het een belangrijk document. Op het tekstveld aan de bovenzijde van de zerk is te lezen: ‘HIER LEYT BEGRAVEN / HET HART ENDE AN/ DE[R] [E]DEL PARTYEN / VAN MR. TOBIAS DE / COENE DYCKGRAEF / VAN DEN BEEMSTER’.

Wat is de betekenis van deze tekst? Ligt hier inderdaad letterlijk het hart van De Coene en wat wordt verstaan onder ‘ander edel partyen’?

Het tekstveld aan de onderzijde is vrijwel geheel onleesbaar door verwering en slijtage. Restanten van de tekst zoals ‘RAED’ maken duidelijk dat hier nog andere functies van De Coene opgesomd werden. In het midden, in reliëf, bevindt zich een ovaal medaillon met schild waarvan de heraldische tekens zijn weggekapt. Het schild is omgeven door dekkleden en bekroond door een helm met een eveneens weggekapt helmteken. Het wegkappen van het wapen is een doelbewuste actie uit de Franse tijd. Onder het motto ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ zijn op vele plaatsen wapens verwijderd, omdat deze juist standsverschillen benadrukten. De slijtage en verwering van de tekst zijn echter in de loop der eeuwen ontstaan.

De vraag welk wapen er op de zerk heeft gestaan is snel te beantwoorden. In de buurt van de grafzerk, hoog ingemetseld boven de preekstoel en onbereikbaar voor vandalen bevindt zich een gedenkteken om de herinnering aan Tobias de Coene vast te houden, een zgn. epitaaf. Deze is geschonken door de belangrijkste landeigenaars en het dijkbestuur van de Beemster. Aan de bovenzijde bevindt zich het wapen dat ook op de zerk gestaan moet hebben: op zwart een keper vergezeld van drie roskammen (2,1).Waar de roskammen naar verwijzen is tot nu toe niet achterhaald.
Op het tekstveld van de epitaaf staat een Latijns lofdicht van de geleerde Hugo de Groot, een vriend van De Coene. Enkele regels daaruit verwijzen naar de drooglegging van de Beemster. In een vertaling uit 1839 luidden deze:
‘Hij heeft u, o Beemster! Waar kortlings nog het visschenheir dartelde
Een zee van halmen leeren dragen in uwen vruchtb’ren schoot.’
De slotregels luiden: ‘Een burger overleed, wij bewenen u,
want het vaderland zelf mag geenen burger bewenen,
die een beter vaderland opriep’.

De Coene was dus betrokken was bij de droogmaking en het in cultuur brengen van de Beemster. In 1610 was hij gekozen als dijkgraaf en hij bleek een bijzonder bekwaam bestuurder. In 1614 werd hij ook nog eens benoemd als advocaat van de VOC.
Na het droogvallen van de Beemster in 1612 kon begonnen worden met de inrichting. Volgens afspraak zouden er in de nieuwe polder vijf kerken gebouwd worden. Uiteindelijk is alleen de kerk te Middenbeemster gerealiseerd. In 1615 kreeg de stadsbouwmeester van Amsterdam, Hendrick de Keyser, opdracht tot het maken van een ontwerp.
In 1618, het jaar dat begonnen werd met het leggen van de fundamenten voor de kerk, overleed Tobias de Coene. Het is zeer waarschijnlijk dat hij voor zijn dood de wens te kennen heeft gegeven dat hij in de kerk te Middenbeemster begraven wilde worden. Aangezien de kerk nog niet gereed was, moeten zijn ingewanden (met hart en hersenen) na zijn dood zijn verwijderd en tijdelijk bovengronds bewaard in een gesloten bus of stenen kan zodat ze later begraven konden worden in de kerk. Dit verklaart tevens de aanduiding op de zerk ‘hart ende an/ de[r] [e]del partyen’.

Het apart begraven van lichaamsdelen was niet ongebruikelijk. Bij koninklijke personen en mensen van hoog aanzien gebeurde het dat het lichaam apart werd begraven, vaak in de plaats van herkomst terwijl de ingewanden werden begraven in de plaats van overlijden. Er is dan echter sprake van het balsemen van het lichaam. In de Domkerk te Utrecht liggen enkele merksteentjes met de namen en sterfdata van de keizers Koenraad II (1039) en Hendrik V (1125). Deze markeren de plaats waar de ingewanden (= exta) van deze keizers begraven liggen. Het uitnemen en begraven van de ingewanden en het balsemen van het lichaam was een praktische oplossing wanneer men ver van huis overleed. Een gebalsemd lichaam kon makkelijker overgebracht worden.
Ook het lichaam van Willem van Oranje werd gebalsemd omdat het in 1584 niet mogelijk was hem bij te zetten in het familiegraf in Breda. Deze stad werd op dat moment nog bezet door de Spanjaarden. Om die reden werd hij bijgezet in de Nieuwe kerk in Delft met zijn ingewanden in een kistje ernaast.

Ook in het geval van Tobias de Coene ging het niet zozeer om het overbruggen van afstand maar om tijd. Het zou nog vijf jaar duren voor de kerk gereed was. In de literatuur wordt niet genoemd waar De Coene woonde. Mogelijk in Amsterdam, waar hij advocaat van de VOC was. Misschien is zijn lichaam daar in 1618 begraven of op het kerkhof te Middenbeemster , om de kerk in aanbouw. De kerk werd ingewijd op 30 juli 1623 en spoedig daarna zullen zijn ingewanden begraven zijn.
De tekst op de grafzerk kan dus letterlijk genomen worden. Maar voor tijdgenoten zal het zonneklaar geweest zijn dat Tobias de Coene zijn hart op de juiste plaats had, nl. in de Beemster.

terug