Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland
Het ondier uit het Hellegat: walvissen in en om de kerk
Een verdwaalde walvis in de Londense Theems was afgelopen maand een paar dagen wereldnieuws. Ondanks alle mogelijke reddingspogingen is Wally the Whale, zoals het dier al snel in de media werd genoemd, bij laag water gestrand en uiteindelijk aan uitputting en naar verluidt ook aan stress bezweken. Haar botten - het zou om een wijfje gaan en niet om een mannelijk dier zoals The Sun aanvankelijk berichtte - zullen worden overgebracht naar het Londense Natural History Museum.
Wally was een noordelijke butskop (hyperoodon ampullatus), een walvisachtige die in de noordelijke Atlantische Oceaan voorkomt. Ook aan de Nederlandse kust is de butskop in het verre verleden een enkele keer aangespoeld. Bekend is het zogeheten ‘ondier uit het Hellegat’, een butskop waarvan de botten twee eeuwen lang, eerst buiten en later binnen, in de Hervormde kerk van Zaamslag (Zeeuws Vlaanderen) te zien zijn geweest.
Deze butskop werd in augustus 1757 ontdekt in het Hellegat, een voormalige zeearm van de Westerschelde. Met een man of tien, aangevoerd door de kapitein van de plaatselijke burgerwacht, was het dier op het droge gejaagd, waarna het levend aan stukken werd gesneden, ‘dewijl sij hem met geen schieten off slaan dood konden krijgen’. De buit werd tot traan versmolten en de opbrengst daarvan eerlijk onder de vangers verdeeld.
Het geraamte, of wat daar nog van over was, kreeg als aandenken een plaats aan de buitenzijde van de kerk. Verweerd en met mos begroeid kwam het in de vorige eeuw in de kerk terecht. Gereinigd en geprepareerd is het uiteindelijk toch naar een museum overgebracht.
Op Vlieland, waar een aanzienlijk deel van de bevolking leefde van de walvisvaart, werden walviskaken gebruikt als grafpaal. Een vijftal van dergelijke grafpalen is in 1920 van het kerkhof overgebracht naar de kerk om verdere verwering te voorkomen. Zoals grafstenen zijn ze voorzien van een inscriptie met de namen of initialen en jaartallen van overledenen, voornamelijk uit de 18de eeuw.
De Oude Kerk van Scheveningen kan bogen op walvisresten uit 1617. Het betreft de bovenkaak en drie wervels van een potvis die in dat jaar aan het strand was aangespoeld.
Ze kregen een plaats in de zijbeuk en er werd een gedenkbord gemaakt waarop een geleerd en stichtelijk gedicht van de toenmalige predikant te lezen is, dat eindigt met de woorden ‘Bedenkt den armen wat’.
Waarom er juist in kerken oude walvisresten te zien zijn? In de tijd dat er nog geen musea waren, was het kerkgebouw vaak de aangewezen plaats om bezienswaardigheden te bewaren. In de 17de en 18de eeuw hadden de meeste hervormde kerken een functie als openbare begraafplaats, waar men ook kon wandelen en curiositeiten bekijken. De grafstenen waarover men liep en de rouwborden aan de wand dienden niet alleen om de herinnering aan overleden gemeenteleden levendig te houden, maar ook als memento mori (gedenkt te sterven) en als waarschuwing tegen de vergankelijkheid.